Huisvesting Primair onderwijs vraagt een andere aanpak

Komende jaren staan gemeenten en onderwijsbesturen voor de opgave om de huisvesting van primair onderwijs klaar te maken voor de toekomst. Scholen buiten de stedelijke groeigebieden hebben te maken met daling van leerlingen en de huisvesting loopt veelal tegen de vervangingstermijn aan waardoor de kosten voor energie en onderhoud te hoog zijn om de exploitatie rond te krijgen. Gemeenten en schoolbesturen staan voor de keuze om te investeren in de bestaande huisvesting of te herinvesteren in nieuwbouw.



Valt de keuze op nieuwbouw dan geeft dat geen garantie op een gebouw dat aan alle eisen en wensen voldoet. De normbudgeten voor primair onderwijs zijn de laatste jaren fors gedaald en de eisen en wensen volgens Bouwbesluit en Frisse scholen vragen om steeds meer kwaliteit. Gemeenten en schoolbesturen hebben dat ook in de gaten en wij zien steeds vaak de vraag naar ‘systeembouw’ in de uitvragen met de achterliggende gedachte om de bouwsnelheid en kosten naar beneden en de kwaliteit omhoog te brengen. Een goede ontwikkeling, maar wat is systeembouw eigenlijk? Als wij in gesprek gaan blijkt bijna altijd modulebouw bedoeld te worden. Modulebouw is inderdaad systeembouw en kán een goede oplossing zijn, echter het schrikt veel schoolbesturen en docenten ook af. Bij modulebouw denkt men toch aan de gehorige noodlokalen. Systeembouw is meer dan modulebouw, het is een verzamelnaam voor bouwproducten waar een innovatie op los gelaten is om beter, sneller en goedkoper te kunnen bouwen. Systeembouw komt voor in klein en groot. Een waalformaat baksteen heeft een strek bestaande uit twee koppen plus een voeg. Door het maatsysteem kan een muur snel gebouwd worden. Hoe kleiner het element hoe groter de (vorm)vrijheid maar hoe kleiner het voordeel t.o.v. de ‘traditionele’ bouw. Hoe groter het element hoe meer het omgekeerde op gaat. Per vraagstuk is hierin een optimale vorm te vinden.

MIJNschool

Bij procesinnovatie in de bouw wordt vaak de vergelijking getrokken met de auto-industrie. De fabriek waar de auto van de lopende band komt bestaat uit één productielijn maar dit betekent niet dat de hele auto hier gemaakt wordt. Automerken werken met ‘preferred suppliers’ die onderdelen als het dashbord en de koplamp in de eigen werkplaats maken. De onderdelen worden in de productielijn aan het chassis geplugd. Dit heeft een aantal voordelen. De productietijd wordt aanzienlijk korter, ‘supply chain management’ geeft minder kans op fouten, de kennis over een onderdeel blijft bij de specialist en de prijs is laag door langdurige afspraken over de samenwerking.

KAW werkt op een vergelijkbare manier met een groep bedrijven aan MIJNschool, een maatproduct voor de nieuwbouw van primair onderwijs en kinderopvang. Hevo ondersteund door het ontwerpteam heeft de coördinerende rol en is aanspreekpunt naar de klant. In het ontwerp en de uitvoering leveren producenten hun kennis en kunde per bouwdeel: de drager, de omhulling, de W_installatie, de E_installatie en de afbouw. De bouwdelen worden in fabrieken in zo groot mogelijk delen geprefabriceerd en op de bouwplaats na elkaar in of aan de kapstok gemonteerd. Dit geeft grote voordelen:

  • Ieder project krijgt een op maat uitwerking in zowel de ruimtelijke vertaling van de onderwijsvisie als de uitstraling van interieur en exterieur;
  • Er ontstaat ruimte voor meer kwaliteit binnen het normbudget;
  • De totale doorlooptijd is 50% van een traditioneel proces.

MIJNschool is vormvrijheid, korte doorlooptijd, meer kwaliteit en onderwijskundige aanpak in optima forma!

 

Dit artikel is geplaatst in Blog en getagged met , , . Bookmark de permalink.